Zondagsbrief 11-08-2019 + Overweging

zondagsbrief 11-08-2019 + liturgie

PREEK:

‘Stilte zonder antwoord’ is een stilte die een mens ontstelt. Zoals Blaise Pascal, de grote wis- en natuurkundige uit de 17e eeuw, schreef in zijn boek ‘Gedachten’: ‘Wanneer ik denk aan de korte duur van mijn leven, verdwijnend in de eeuwigheid ervóór en erná, en het kleine stukje van de ruimte dat ik inneem en overzie, verzonken in de eindeloze onmetelijkheid van de ruimten die ik niet ken en die mij niet kennen…het eeuwige zwijgen van de eindeloze ruimten ontstelt mij!’

‘Stilte zonder antwoord’ is een stilte die niet troosten of helen kan. Het is niet de zinderende stilte, die maakte dat Elia niet kon blijven zitten en uit de spelonk tevoorschijn trad; uit die donkere hoek waarin hij was weggekropen. ‘Stilte zonder antwoord’ is niet een stilte om jou heen. Het is er een waarin je verdwijnt. Een stilte waarin het niet uitmaakt of jij er bent of niet. Er zijn ook stiltes, die je angst inboezemen, waar je voor rechtsomkeert maakt, weg vlucht, tot je weer in de bewoonde wereld bent. Maar stilte zonder antwoord is zo immens, dat je er niet voor vluchten kunt.

Deze stilte is niet alleen die van het uitdijende heelal. Het is ook de stilte van de dood, die geen boodschap heeft aan liefde en geen ontzag heeft voor God:  ‘Nee, het dodenrijk zal u niet loven, de dood prijst u niet, zij die in het graf zijn afgedaald verlaten zich niet op uw trouw. Maar hij die leeft – leeft! – zal u loven,’ bidt koning Hizkia op zijn ziekbed. Er zijn tijden dat het gat dat wordt geslagen door de dood van een geliefde, uitdijt als het heelal. Alle troostende woorden, alle gelovige vergezichten, weten het geen halt toe te roepen. Je kent de woorden wel en je weet van de beste bedoelingen. Maar de stilte blijft er onverschillig onder. En er komt geen einde aan. ‘Dood zijn duurt zo lang,’ zingt Tommie in Sesamstraat.

‘Lucht en leegte, zegt Prediker, alles is leegte.’  Hij speelt met het woord Havel.. Ademtocht.. Zucht.. Het is zo maar voorbij. ‘Wanneer ik het woord Toekomst uitspreek, vertrekt de eerste lettergreep al naar het verleden,’ schrijft de dichter Wislawa Szymborska. Dát besef. Niet meer dan een ademtocht is het leven. In de zucht van Prediker klinkt de naam van Abel / Havel mee. Lucht was hij voor zijn broer Kaïn. Weet je nog? Toen hij werd geboren en zijn naam geroepen werd, vertrok de eerste lettergreep al naar het verleden. Hij mocht nauwelijks naam hebben. Havel.. In het terugkerend motto van het boek Prediker klinkt zíjn naam mee: ‘Lucht en leegte, zegt Prediker, alles is leegte.’

Prediker verzet zich niet tegen de gedachte, die Blaise Pascal zo ontstelde: het eeuwige zwijgen van de eindeloze ruimten. Dat is voor Prediker Gods zaak.  Niet dat hij er vroom van wordt. Het is bij hem niet dood en dan… Je eeuwig huis, dat is het graf. ‘Een klaagzang vult de straat.’  ‘Dood is dood dus?!,’ vroeg er een uitdagend tijdens de voorbereiding van de dienst. Hij wilde daar duidelijk niet aan. Ja, wie wel? De stilte van de dood kan toch niet het laatste zijn? ‘Voor jou wel, voor God niet,’ zou Prediker zeggen, ‘de adem van het leven gaat weer naar God, die het leven heeft gegeven.’ Dat gaat niet gepaard met toeters en bellen en engelenzang. De adem maakt een stille tocht. Even stil als het eeuwige zwijgen van de eindeloze ruimten, die Blaise Pascal zo ontstelde.

Maar het zijn twee verschillende stiltes. In ieder geval mag je constateren dat Prediker niet gedacht heeft: ‘Wat doe ik hier dan? Wat doet het er allemaal toe?’ De lofzang op de jonge jaren klinkt bij Prediker nergens verkrampt: ‘Geniet dus, beste vriend, van je jonge jaren, haal je hart op aan de dagen van je jeugd.’  Al vinden we misschien met onze levenservaring en toegenomen levensverwachting dat hij wel heel erg veel levenslust legt in de jonge jaren. We weten hoe eenzaam die ook kunnen zijn. Nou, dan worden we elders in dit bijbelboekje op onze wenken bediend, als hij zegt: ‘Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan. Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. Geniet van het leven met de mens die je bemint. Geniet op álle dagen van je leven, die God je heeft gegeven.’ (Prediker 9, 7 e.v.) Maar het blijft verwarrend: deze uitbundigheid, oog in oog met onze eindigheid en met het eeuwig zwijgen van de eindeloze ruimten.

Weet u trouwens waar ik mijn hart aan op haal? Aan die prachtige taal waarmee Prediker de aftakeling van een mens beschrijft. Maar het verwart me ook. Hij legt zo veel liefde in de taal. Liefde die niet in mindering komt op het verval, maar die het er bij uithoudt. Hier klinkt zo veel meer dan het staccato van ‘dood is dood’. Hoezo: lucht en leegte, denk ik dan?

De poëtische taal is vol van symboliek. Ook als je de tekst letterlijk neemt en de zon de zon laat, de soldaten de soldaten, de vrouwen de vrouwen en de amandelboom de amandelboom, voel je het naderend einde, het heimwee, de onafwendbaarheid van de dood. Uitleg van de symboliek verstoort de zindering. ‘Dit betekent dat’, doet de liefde tekort. Maar het moet toch maar even: de zon, de maan en de sterren staan voor de hoogtepunten van het leven waarop een mens denkt: ‘Wie doet me wat?’ De wachters zijn de armen van een mens, de soldaten de benen. De maalsters zijn de tanden. De vrouwen de ogen, de schaduw de staar die nog niet verholpen kon worden. De dichte deuren zijn de oren, die niet meer meekrijgen wat er in de wereld gaande is. De molen is de mond die ooit zo mooi spreken kon, maar nu geen geluid meer maakt. De amandelboom in wintertooi is het haar dat dun en wit geworden is. En zal ik die laatste twee dan ook maar verklappen?: de sprinkhaan is het mannelijk lid, de kapperbes de viagra van toen: ‘de sprinkhaan sleept zich voort, de kapperbes droogt uit. Een mens gaat naar zijn eeuwig huis, een klaagzang vult de straat.’

Zilver en goud staan voor het kostbaar broze mensenleven. Schakel in de geslachten, verbinding met de ander. Je hoort het stokken van de adem, het breken van harten. Je bent getuige van wat nooit went. ‘Voordat het zilverkoord wordt weggenomen, / de gouden lamp gebroken, / de waterkruik in stukken valt, / het scheprad bij de put wordt stukgebroken. / Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, / weer wordt zoals het was, / wanneer de adem van het leven weer naar God gaat, / die het leven heeft gegeven. / Lucht en leegte, zegt Prediker, alles is leegte.’

Stilte zonder antwoord.. En toch: God is erbij. Niet in beelden die acuut de leegte voor ons op moeten vullen. En waar wij uit pure angst en uit de pijn van het gemis waarheid van maken. In die zin lijkt de atheïstische waarheid ‘Dood is dood’ op de religieuze waarheid ‘Er is een leven na dit leven’. Beide zijn te zeker van hun zaak. De adem van het leven, die weer naar God gaat, die het leven heeft gegeven, is ijler. Ze laat meer ruimte aan de liefde dan welke van de twee waarheden ook. Ook dit is mensentaal. Maar deze laat de stilte heel. Zoals liefde dat kan. Deze taal laat de stilte heel, hoe graag de schrijver ook zou willen dat hij een antwoord had op de dood, op het eeuwige zwijgen van de eindeloze ruimten, op de leegte. Maar hij wil de liefde niet verkopen voor waarheid die zijn pretenties niet waar kan maken. Hij wil Gód niet verloochenen. Vandaar de poëtische taal. Die is beter in staat de dingen open te houden, inclusief het gat waar we in staren. Én beter in staat om uitdrukking te geven aan de liefde – vraag maar aan de liedjesschrijvers en dichters. ‘Dit is dat’, ‘Daar is God’, ‘Zo zit het en niet anders’, dat soort taal slaat de dingen plat.

Na de zoektocht naar stilte (1e zomerdienst) en stem in de stilte (2e zomerdienst), na het samenvallen van God en stilte (3e zomerdienst) en de stilte van Gods verborgenheid (4e zomerdienst), is er vandaag de stilte zonder antwoord. Maar mét de poëzie van Prediker en met de drie gedichten van Vasalis uit de bundel ‘De oude kustlijn’. Ze worden er niet bij gehaald om via de achterdeur alsnog een antwoord binnen te smokkelen. Wel om de volumeknop iets hoger te zetten, zodat de zucht ons niet ontgaat die ook bij Prediker te horen is. Zijn woordje ‘lucht’ is synoniem met ademtocht: de adem van het leven – Godsgeschenk! – die weer terug naar God gaat. Het woordje ‘lucht’ is ook synoniem met ‘leegte’. Maar die leegte wordt permanent lastig gevallen door onze liefde. En boven die leegte broedt Gods Geest die over alles waakt, vertelt ons het eerste scheppingsverhaal. Oók een lied overigens…

Hoor hoe de liefde de leegte bevraagt in het eerste gedicht van Vasalis en de pijn ervan niet uit de weg gaat. En denk dan bij de witte moeder nog even aan de amandelboom bij Prediker, die haar wintertooi behoudt:  ‘Waarom huilde je zo plotseling / zo kort en zo verschrikkelijk / mijn witte moeder. / En schudde je, toen ik het vroeg /  alleen maar troosteloos je hoofd.’

Hoor hoe moeder alles kon, hoe ze als ‘jij’ wordt aangesproken terwijl ze er niet meer is. Ja, liefde is tot veel in staat. Liefde bevraagt de leegte. Zie hoe deze moeder de weg ging van degene die Prediker voor ogen had: ‘Uren door het mulle zand gestrompeld, houvast zoekend met je hand’. Tot ze ook dat toch bleek te kunnen: dood gaan. En dan dat wankel weten, met die vraag die de dood niet met rust laat: ‘En aan het strand zal ik je later vinden. Laat me je vinden. Je kan het toch?’  Vraag die open blijft. Stilte zonder antwoord.

Wat wij hier op zondag samen doen – en dat is niet vanwege de hoge gemiddelde leeftijd – dat is wat Vasalis verwoordt in het gedicht ‘Ouderdom’. Het is bijna een Bijbels beeld te noemen omdat het verwant is aan een beeld uit het lied van Mozes (weer een lied!), dat de zorg van God verbeeldt in de bergarend die in de woestijn boven haar nest zweeft als de jongen uit moeten vliegen: ‘Ik oefen als een jonge vogel op de rand / van ’t nest, dat ik verlaten moet / in kleine haperende vluchten / en sper mijn snavel.’

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Reacties zijn gesloten.