Zondagsbrief 14-07-2019

Zondagsbrief 14-07-2019 inclusief liturgie

Preek van de week

Zes zomerdiensten over stilte. Wat moet dat worden? Het doet me denken aan het roemruchte stuk van de Amerikaanse componist John Cage (1912 -1992): 4’33’ uit 1952. Het bestaat uit vier minuten en drieëndertig seconden stilte. En dat in drie delen, gemarkeerd door het openen en sluiten van de pianoklep. Je voelt de spanning in de concertzaal, die door dit stille werk wordt opgeroepen. Elke keer als het wordt uitgevoerd, klinkt het weer anders. Omdat het publiek elke keer anders is en elke ruimte op elk moment een ander soort stilte creëert. Iemand kucht. Er kraakt iets als iemand gaat verzitten. In de verte klinkt een zacht geluid. Het hoort bij de compositie. Het kleurt de stilte.

Hoe anders dan bijvoorbeeld in de muziek van Johann Sebastian Bach, waarin elke noot op de enig juiste plek staat en het verhaal dat met de muziek verteld wordt tot in de details klopt, zodat bijgeluiden alleen maar afbreuk doen aan de uitvoering.

Nou hoeft niet elke preek de vergelijking met een Bachcantate te kunnen doorstaan. Maar ze lijkt daar wel meer op dan op de stille compositie van John Cage. Goed gekozen woorden kunnen als muziek in de oren klinken. Stiltes in de preek moeten hun plek weten. Ze zijn er om de woorden beter uit te laten komen; om ze tijd te geven om te landen bij de hoorders. Met stiltes maak je geen preek. Het goede nieuws moet verkondigd worden. ‘Daarvoor ben ik immers op weg gegaan,’ zegt Jezus.

Stel je voor dat het gaat lukken: zes zomerdiensten waarin de stilte tot haar recht komt. Niet als pauze tussen de woorden. Maar in het midden de stilte zelf. Als het hart van de verkondiging. Zes keer een compositie als van John Cage. Bent u er dan de volgende zondagen ook nog?

‘Op zoek naar stilte’ is het thema van deze dienst. In de voorbereidingsgroep werd het herkend. Soms wil je gewoon even weg van het lawaai en van al het gepraat. Om ruimte te geven aan je geest. Om je ziel op adem te laten komen. Om de stilte op je huid te voelen; de wind langs je gezicht. Maar dan wel even. Als break. Een kwestie van timing, net als in een preek. Want stilte moet niet de overhand krijgen. Stilte is namelijk niet alleen maar fijn. Als ze je overvalt, kan dat ook confronterend zijn. Ik zie nog het gezicht van de jongen voor me, die het klooster uitrende omdat de stilte hem te veel werd. Zo lang je in control bent, is stilte een zegen. Maar dat is het ‘m nou net: stilte heeft het in zich om jou de controle over jezelf te ontnemen. Dat is een heikel gebeuren. Het kan heilzaam zijn. Maar heikel is het zeker.

Hoewel de evangelielezing gekozen is bij het thema, is er in de korte bijbelgedeeltes helemaal geen sprake van stilte. Er is een hoop rumoer rondom Jezus. Het is een komen en gaan van mensenmassa’s, van horden ongecontroleerd volk. Je hoort in de woordkeus de wanhopigen schreeuwen. Ze barricaderen de uitweg. Ze nemen de tent over. Alleen in het holst van de nacht weet Jezus er aan te ontsnappen. Hij zoekt de verlatenheid op om te kunnen bidden. Het is niet vreemd dat wij daarbij aan de stilte van de natuur denken. Wie houdt van zeilen, denkt aan droogvallen op het Wad. Wie van de bergen houdt, ziet zichzelf klein, maar hoog opgetild boven het leven in het dal. Je ziet je struinen door het oerbos of over een eindeloos verlaten strand. Het is niet stil, maar het voelt als stil. Dit is wat je wilde.

Alleen, het woord dat de evangelisten gebruiken is minder spiritueel. Stil is het in ieder geval niet. Het is desolaat gebied, waarin Jezus zich met regelmaat terug trekt. Geen enkele keer daarvan is hij in control. Dat zit niet in dat woord. Er zit eenzaamheid in, maar dan die eenzaamheid, die je naar de strot vliegt, vóór ze louterend kan zijn. Niet de van tevoren stoer gekozen eenzaamheid waarvan je nog de foto’s hebt. Eerder de eenzaamheid die je kan overvallen als je je eigen lege huis binnen stapt. Onbewoond, dat zit ook in dat woord dat Marcus en Lucas gebruiken. Niet in de zin van ongerept en onontgonnen, hopend dat het nog lang zo blijft. Maar onbewoond, omdat geen mens er zijn wil. Vandaag niet en morgen ook niet. De onherbergzaamheid met hier en daar restanten van een stad die met de grond gelijk gemaakt is. Dat zit allemaal in het woordpaar ‘eenzame plek’ of ‘eenzame plaatsen’. Stil is anders met schreeuwende nachtdieren en met dolende zielen, die er dekking zoeken omdat het voor hen in de dorpen en de steden geen leven is.

Dat is toch anders bidden dan in het meditatiehoekje aan de stille kant van je huis, of zittend in een duinpan met een gevoel van grote dankbaarheid dat vakantie jou gegund is.

De stilte, die Jezus zoekt, is meer dan een zichzelf opladen voor zijn dienende en verantwoordelijke taak. Waar hij vandaan gekomen is, daar is nog genoeg te doen. Dat blijkt wel uit de vaart waarmee Simon en de andere leerlingen achter Jezus aan komen. ‘Iedereen is naar u op zoek!’ Wat Jezus te doen staat, hoeft hij niet aan God te vragen. En ‘Heer, help mij!’ bidden kan ook tussen de bedrijven door.

Jezus zoekt de verlatenheid om zich los te kunnen maken van alle verwachtingspatronen. Die van anderen en die van hemzelf. Hij is immens populair. Hij brengt geluk teweeg. Hij maakt mensen heel. Hij raakt ze aan, herstelt de verbinding. En er zijn er nog zo veel die een nummertje hebben getrokken. Het is geen vraag wat hem te doen staat. Pauze? Oké. Maar dan weer verder met wie nog wachten. Het is ‘ora et labora’ (‘bid en werk’), toch?

Of is het bidden meer dan een zegen vragen over het werk? En is de verlatenheid zoeken iets anders dan even afstand nemen? De stilte, die Jezus zoekt is niet van grote schoonheid. Ze is niet om te ervaren hoe klein jij eigenlijk bent en hoe indrukwekkend groots de natuur is. Dat gevoel dat ons kan overvallen tijdens een vakantie in de bergen of de bossen of aan zee. De break die Jezus ervaart is niet de welkome doorbreking van plannenmakerij en werk in uitvoering. Het is een afwenden van alle stemmen die het zo goed weten, inclusief die van jouzelf en van jouw god. Het is luisteren in de godverlatenheid, te midden van je eigen angsten, of zich een stem tevoorschijn laat luisteren, die niet uit jouzelf komt. Een stem als die Mozes hoorde aan de achterkant van de Sinaï vanuit de doornstruik die in brand leek te staan. Of zoals Elia die hoorde in een spelonk in het gebergte Horeb: de stem van een sprekende stilte.

De stem in de stilte moet de kans krijgen om alles te ontregelen wat er was geregeld. Wie van de stilte een pauze maakt tussen jouw drukte en het werk dat straks weer wacht, loopt de kans om in het gebed in gesprek te zijn met een getemde God. Een die zijn plaats weet. Zoals de goden in de tempels van de machten. De bewakers van de orde. In dienst van hen die niet zitten te wachten op nieuwe verhoudingen. Zoals het is, zo moet het blijven. Zo invoelbaar allemaal… Waarom zou deze pot (de kerk) de ketel verwijten dat ze zwart ziet? Jezus richt zich in zijn gebed niet tot een getemde Tempelgod, maar tot een Woestijngod. Een, die het niet op orde heeft, zolang mensen gebukt gaan onder die zogenaamde orde. Zoals Israël in de slavernij van Egypte. In de verlatenheid klinkt zijn stem en maakt deze God zich tot reisgenoot van mensen zonder een thuis.

Jezus gaat back to basics om die stem te verstaan en zich er aan toe te vertrouwen. In de woeste verlatenheid begon ooit het verhaal van bevrijding. Een verhaal dat vol is van verlangen en dat zonder zekerheden is. Of het zou de zekerheid van een Goddelijke liefde moeten zijn, die zich nooit meer zal terug trekken in de veiligheid van een hoge hemel. Die liefde ligt ten grondslag aan de hele schepping. En aan de ervaring van Sara Maitland als ze vertelt dat het niet langer ik en het landschap was, maar een soort eenheid. ‘Alsof mijn huid er af was geblazen, zo’n verbondenheid’  Van je ik-gerichtheid bevrijd worden; van de noodzaak om jezelf te moeten handhaven. Is dat ook niet prachtig aan het scheppingsverhaal, dat op de zesde dag de dieren en de mensen worden geschapen en dat er op de zevende dag gerust mag worden. Bij voorbaat bevrijd van alles wat moet.

Die stilte kan alles hebben. Ook als die je aanvliegt. Leven zonder zekerheden is geen pretje. Met deze God in zee gaan, betekent dat je het stellen durft zonder sussende antwoorden. In de woeste verlatenheid kan de duivel je op de hielen zitten, zoals dat Jezus overkwam toen hij er veertig dagen aaneen verbleef. De duivel, die een vesting van antwoorden voor je bouwt. Opdat jij maar niet de stem van de liefde zult horen, die tegen jou zegt: ‘Waar we uitkomen weten we niet, maar dat ik mét jou ga is zeker. En als jij mijn reisgenoot wilt zijn, dan ben je het ook voor al die mensen die uitgetrokken zijn omdat de orde van de wereld nu eenmaal geen orde is.’

Daarom gaat Jezus niet terug naar de plek waar nog zo veel is te doen en waar de mensen op hem wachten. ‘Laten we ergens anders heen gaan, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen.’ Want de stilte is geen pauze. En het is niet: bid en werk. Het is: bid en je gekend weten van eeuwigheid tot eeuwigheid. Terwijl de stilte jou omarmt en niet schrikt van het lawaai dat jij met je mee torst. Dat is eerder te vergelijken met de muziek van Cage dan met die van Bach. Maar het voelt voor mij als Bach, waarbij ik meezing in het koor. Zo vals als het maar zijn kan. En met alle ruis die ik met me meedraag. Zonder dat daardoor de schoonheid wordt teniet gedaan.

Als dat niet is om stil van te worden…………..

In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen.

Reacties zijn gesloten.