Zondagsbrief 18-08-2019 + Overweging

Zondagsbrief 18-08-2019 inclusief liturgie

 

Overweging

In deze diensten hebben we steeds vanuit een andere invalshoek stilgestaan bij de stilte.
Gaandeweg besef je de betekenis en waarde ervan – in de omgang met anderen, met jezelf, met God.
In een gesprek dat werkelijk die naam verdient, is stilte en zwijgen even wezenlijk als spreken.
Een dialoog is pas mogelijk als er niet alleen gesproken, maar ook aandachtig geluisterd en gezwegen wordt.
Om antwoord te geven is het nodig zowel te spreken als te zwijgen.
Zonder stilte tussen de woorden zouden we voor elkaar onverstaanbaar zijn.
Je zou taal de verbinding kunnen noemen tussen woorden en stilte – zoals muziek ontstaat uit klank die uit de stilte wordt geboren en tot de stilte terugkeert.

Stilte staat niet op zichzelf, maar krijgt betekenis door de context.
Soms ervaren we stilte als eenzaamheid en leegte of als de afwezigheid en onbereikbaarheid van de ander.
Maar op andere momenten wordt stilte voor ons tot een ervaring van verbondenheid met alles om ons heen.
“Alsof mijn huid er werd afgeblazen, zo’n verbondenheid” aldus Sara Maitland over de stilte in het landschap van Glenbrittle.
Mensen die elkaar al lang kennen en elkaar genegenheid toedragen kunnen aan een blik, een half woord van elkaar genoeg hebben.
Samen stil zijn, zwijgen in de nabijheid van de ander getuigt niet per definitie van onverschilligheid en desinteresse, maar kan ook uiting zijn van vertrouwelijkheid en intimiteit.
In het gedicht ‘Ziekenbezoek’ van Judith Herzberg wordt dit op lichtvoetige wijze verwoord:

Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet zei ik, nou, dit gesprek is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet, Je moet het maar eens proberen.

In deze weken kwam bij mij een herinnering boven aan Cornelie Furnée, die in de jaren ’90 als predikante was verbonden aan de vrijzinnig hervormde gemeente in de stad.
Tijdens een studieverlof bezocht zij de zusters van Granchamp, een oecumenische communiteit in Zwitserland.
Wie daar voor enige tijd in retraite gaat, ontdekt de stilte.
Voor Cornelie was die ontdekking ook een confrontatie; het viel haar zwaar.
Gesprekken voerde zij eigenlijk alleen met de zuster die haar begeleidde.
Toen zij na een week of zes vertrok, ontving ze van de overige zusters iets mee ten afscheid.
Dat ontroerde haar.
Uit de attenties en geschreven groeten bleek hoe deze vrouwen Cornelie in de stilte op meer dan oppervlakkige wijze hadden leren kennen.

Wat geldt voor de communicatie met anderen, geldt ook voor de omgang met onszelf, het zelfgesprek, en de omgang met God, het gebed.
Bert Hoedemaker typeert in zijn laatste boek “Ik bid, dus ik ben. Pleidooi voor de christelijke traditie” het zelfgesprek als protogebed.
Dat maakt duidelijk hoe voor hem die twee met elkaar zijn verweven en in elkaar overlopen.
In het zelfgesprek komen vragen aan de orde als ”wie ben ik”, “waar ben ik mee bezig”, “wat staat mij te wachten”.
Ik blik terug naar het verleden, ik kijk vooruit naar de toekomst, ik denk na over mijn relatie tot anderen, over mijn plaats in de wereld, over wat mij hier en nu te doen staat.
Ik betrek daarbij ook gesprekken met anderen – niet alleen tijdgenoten, maar ook mensen uit het verleden, die mij iets te zeggen hebben.
Het zelfgesprek is eindeloos, maar ook daarin zijn er momenten dat het zoeken en vragen tot rust komt en ik, in stilte, bij mezelf ben.
Zelfgesprek wordt tot gebed, wanneer ik mij in mijn zoeken en vragen oriënteer aan de Bijbel en de geloofstraditie en ik, in vertrouwen, de stap waag om in dit alles de nabijheid van God te zoeken.
Monoloog wordt tot dialoog.
De dagboeken van Etty Hillesum zijn daarvan een sprekend voorbeeld.
In 1941 begon zij te schrijven, omdat zij bang was voor de innerlijke chaos in zichzelf en behoefte had om structuur te scheppen in haar denken en voelen.
Maar haar schrijven wordt tot bidden.
Haar aanvankelijke verlegenheid om het woord ‘god’ te gebruiken duurt niet lang.
God wordt de gesprekspartner voor wie zij zich vrijmoedig uitspreekt – authentiek, met een heel eigen stem.

Naast enkele fragmenten van Etty lazen we Psalm 131.
De psalmen vormen, zo zou je kunnen zeggen, het gebedenboek van Israël en Jezus, dat ook voor de kerk tot bron bij uitstek is geworden voor de biddende omgang met God.
Vreugde en verdriet, woede en pijn, twijfel en hoop, zoeken naar geborgenheid,
de diepe be-aming van het leven, de schreeuw om recht – het krijgt allemaal stem.
Niet in het wilde weg.
Maar in het verband van een verhaal, in het verband van een relatie, van een verbond.
Iemand komt ter sprake.
Gij, Jij. God – Ik zal.
De Naam van God wordt aangeroepen.
De psalmen weerspiegelen het hartstochtelijk worstelen met die Ander, de Verborgene, die onzegbaar nabij is en steeds opnieuw wordt gezocht.
Ze geven stem aan de hunkering naar de levende presentie van God –
midden in het leven, midden in de werkelijkheid van onze menselijke dagen en nachten.
Het psalmboek is geen dogmatiek in poëzie gegoten.
Geloof wordt er vervoegd en verbogen tot verlangen.

Dat verlangen, die innerlijke onrust, die ons hart en onze ziel voortdurend beweegt, is in psalm 131 tot rust gekomen.
Niet voor altijd misschien, maar wel op dit moment van vrede en verstilling.
Het is een korte psalm.
Er hoeft niet veel gezegd te worden.
Alles in de dichter is tot bedaren gebracht en zo is hij in stilte bij zichzelf en bij God.
Je kunt de psalm naast het dagboekfragment en de brieven van Etty Hillesum leggen.
Het opmerkelijke is dat zij haar woorden niet schrijft in de stille weidsheid van een ongerept en vredig landschap, maar in het midden van de oorlog, als haar eigen leven en dat van het hele Joodse volk met de vernietigingsdood wordt bedreigd.
De rust die zij kon ervaren is een geschenk, maar staat niet los van de weg die zij ondertussen heeft afgelegd, vanaf het moment dat zij besloot God op te graven uit de put in haarzelf die was bedolven onder het gruis van haar vragen en angsten.
Zo kon zij zelfs zittend op haar rugzak in de goederentrein waarin zij samen met haar familie en talloze anderen werd weggevoerd, haar vriendin een ansichtkaart schrijven en haar met een psalmcitaat te kennen geven dat zij zich in die overvolle trein niet benauwd voelde, maar zich in de innerlijke ruimte van God geborgen wist: De Here is mijn hoog vertrek.

In de voorbereidingsgroep bogen we ons over psalm 131.
Allereerst over de beginwoorden.
Wat wil er gezegd zijn met: niet hoogmoedig zijn, geen hovaardige blik hebben,
je niet bewegen in dingen die te groot en te wonderlijk zijn?
Is het niet juist kenmerkend voor de God van de Bijbel dat Hij mensen niet klein houdt, maar hun verantwoordelijkheid schenkt voor deze aarde en de vrijheid om alles te onderzoeken?
Maar misschien zouden we die eerste regels kunnen lezen als verwoording van een specifieke ervaring: het besef dat we kwetsbare en eindige mensen zijn.
In de taal van Bijbel en traditie wordt dit besef van tijdelijkheid en eindigheid aangeduid als “schepsel zijn”.
“Schepsel zijn” wil zeggen: niet autonoom zijn, maar van meet af aan in een verband leven.
Ik besta niet op mezelf, maar ik ben verbonden met alles wat leeft (ik ben medeschepsel) en ik leef in afhankelijkheid van God (ik behoor mijzelf niet toe, ik genereer mijzelf niet, de Schepper gaat aan mij vooraf).
Er zijn momenten genoeg waarop ik daartegen in opstand kom.
Maar in deze psalm zet de aanvaarding van mijn broos en begrensd bestaan de toon.

Na die beginwoorden komen we bij het beeld in het hart van de psalm:
het kind op de armen van zijn moeder – veilig, verzadigd, een en al overgave.
Zonder reserve vertrouwt het zich toe aan de geborgenheid bij zijn moeder.
Zo, aldus de psalmdichter, is mijn ziel bij mij.
Zo, stil geworden en tot bedaren gebracht, verkeer ik met God en leef ik in Gods nabijheid.

Het beeld wint voor mij aan diepte en betekenis, als we niet voorbijgaan aan de bijzondere typering van dit kind.
Het is geen pasgeborene, geen baby in het allereerste levensjaar.
Het gaat om een gespeend kind.
Martin Buber heeft het Hebreeuwse woord vertaald met: ‘’ein Entwöhntes’’, een kind dat de moederborst is ontwend.
Het is dus maar de vraag of het kind uit de psalm zijn honger en dorst heeft gestild.
En toch huilt het niet en ligt het rustig in moeders armen.

Ik kan het niet laten hier een tekst te lezen van de Nederlandse theoloog Oepke Noordmans.
Beter dan hij kan ik het niet verwoorden.
Noordmans leefde van 1871 tot 1956 en werd vooral bekend door zijn meditaties.
In een daarvan schrijft hij over psalm 131:

“Daarin wordt gezongen van een ‘gespeend’ kind, dat geleerd heeft rustig in moeders armen te liggen, zonder te huilen om haar borst. Zo wil deze psalm ook leren bij God te zijn, zonder dat de ziel altijd in oproer is. Hij wil van God leren genieten, zonder heftig van hem te begeren. Vertrouwen zonder uitkomst te zien. Zijn ziel in Gods handen te bevelen, ook als deze haar verlaten schijnt te hebben. Zoals het kind, na gespeend te zijn, een veel hogere, geestelijke verhouding met de moeder krijgt, zo ook de ziel tot God als zij deze stilte heeft bereikt (….)
Het van God verlaten zijn en toch door hem staande te blijven, toch stille te zijn, is de centrale spanning van ons leven. Het is de veer die alles drijft. Het gespeende kind van Psalm 131 heeft de les geleerd. Het heeft zijn moeder verloren, doch bij gelijkenis weder ontvangen. Het is verlaten, maar heeft een andere moeder teruggevonden. Vergeleken bij vroeger betekent haar aanwezigheid nu een stil-zijn. Zo verandert ook voor de gelovige de tegenwoordigheid Gods.”

De stilheid van de ziel is dus niet iets wat zich buiten het geleefde leven om afspeelt.
De psalm verwoordt wie wij zijn en hoe wij met God kunnen leven, juist in de weerbarstige werkelijkheid van alledag.
Daar is God niet onmiddellijk voorhanden.
Daar ervaren wij God als de Verborgene.
De omgang met God noemen we daarom geloof:
geloof als onze volgehouden verwachting dat God er zal zijn;
geloof als onze bereidheid om gastvrij te zijn en God (en datgene waar Gods naam voor staat) een plaats te bereiden in ons leven.
In dat licht lees ik dan ook de woorden waarmee de psalm besluit:
Verbeid, Israël, de ENE  van nu aan en tot in eeuwigheid!

Het is een oproep om het waagstuk aan te gaan van een verwachtingsvol leven, dat open staat voor de toekomst – niet in wanhoop, maar in het stillevertrouwen dat we niet uit Gods armen en erbarmen zullen vallen.

Reacties zijn gesloten.