GEDACHTENIS

Alweer een onvoorstelbaar voorjaar.
Kastanje zet zich kleine kronen op, gras
wil gemaaid en tulpen zoeken kleur. Een geur
van wederkeer en levenslust waait aan.

En elke dag met elke wijzertik, ook nu
gaat iemand heen. We weten dat sereen,
als theorie. Totdat wie naast je staat plotseling
zijn plaats verlaat, zich opkrult en verdwijnt.

Is doodgaan wreder nu de madelieven splinternieuw
of geeft houvast juist dat de koolmees op de nestkast tikt
de merel zingende beschikt hoe vroeg de ochtend komt?
De paasmorgen breekt aan. Hij is voor altijd weggegaan.

Voor altijd opgestaan in nieuwe staat, als een verhaal.
Verloren is zijn blauwe blik, de zachtheid
van zijn stem, zijn haar. We praten met elkaar
we noemen steeds opnieuw zijn naam

en schoffelen ons leven bij, beplanten leegte
niet te dicht want willen zicht op wat we kwijt.
De hand die de citroenboom bloeien deed, het oog
dat vrij het landschap las, ze zijn in ons nu, voor altijd.

Marjoleine de Vos
Uit: Het waait (2008)